September 2009 — interview

Viva 'Ik heb wel duizend keer willen opgeven'

Lavalu, oftewel zangeres Marielle Woltring (30), kreeg ooit een goed advies: ze moest zeker tien jaar geduld hebben. Eerder moest ze niet eens willen doorbreken. En inderdaad, na tien jaar hard werken, krijgt ze eindelijk voet aan de grond met haar Björk-achtige geluid.

Opeens krijg je volop aandacht. Hoe komt dat?
“Goed werk van de publiciteitsmedewerker én een plaat die, eh…denk ik, aardig is. Tenminste, ik vind ‘m wel leuk, ha ha ha!”

Tien jaar lang heb je hierop gewacht. Nooit willen opgeven?
“Hou op, schei uit! Ik heb echt wel duizend keer op willen geven als wéér iemand het te ‘ingewikkeld’ vond wat ik deed. Twee keer mijn demo ingestuurd naar Noorderslag, twee keer niks gehoord. En nu opeens belden ze hoor. Precies nét op het moment dat we de plaat op wilden gaan nemen.”

Hoe komt zo’n debuutalbum tot stand?
“Dat duurde jaren hoor. Langzaam kom je erachter welk geluid je mooi vindt. Ik luisterde vroeger net als iedereen naar mijn lievelingsplaat als één geheel. Maar als je het zelf wilt maken leer je welke geluide maken dat je een bepaalde sound krijgt. Waar zit ‘m dat in? Om daarachter te komen las ik bijvoorbeeld interviews met producers, maar je probeert vooral heel veel uit. Ik houd van ‘magische’ klassieke akkoorden, die bijna niet van deze wereld zijn. Later ging ik werken met jazzmuzikanten die weer heel veel creativiteit meebrachten. Al die invloeden moesten dan weer een coherent geheel worden, geïnspireerd op het elektronische en sprookjesachtige geluid van bijvoorbeeld Moloko, Lamb en Björk. Dat was een zoektocht van een hele tijd. Een spannend proces want je weet nooit of je eruit komt. Ik moet zeggen, het voelt echt alsof ik een enorme reis heb gemaakt. Ik hoop dat de luisteraar het ook zo ervaart.”

Waarom heb je trouwens ook een Amerikaans paspoort?
“Ik ben in Cleveland geboren waar mijn vader werkte voor Philips. Ik heb er maar kort gewoond maar mijn broer en zus waren ouder en alle speelgoed en boekjes gingen weer mee terug waardoor ik al heel jong het Engels machtig was.”

Wat voor jeugd had je in Arnhem?
“Een jeugd gevuld met naschoolse activiteiten. School vond ik echt verschrikkelijk omdat ik me er opgesloten voelde. Mijn moeder reed me van pianoles naar de drumband en vijf keer per week naar ballet. Dat vond ik allemaal zo leuk dat ik het op school volhield. Tot ik eindelijk naar de toneelschool kon.”

Waarom de toneelschool?
“Het conservatorium leek me niets want ik stelde me voor dat je daar acht uur per dag in je eentje in een hok zou moeten oefenen. Dat leek te veel op school. En toneel was in mijn puberteit net zo’n grote passie. Maar dat verdween eigenlijk zodra ik op de toneelschool zat. Opeens móest ik. En iedereen om me heen was opeens ook goed. Ik dacht: doen jullie het dan maar. Ik kreeg behoefte om me op een andere manier te uiten en zo kwam ik langzaam weer naar de piano. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”

Wat was je mooiste moment tot nu toe?
“Nadat ik samen was gaan werken met de jazzmuzikanten kwam er een periode dat het geluid waarnaar ik zocht langzaam tot stand kwam. Wanneer ik toen het podium opliep, met om me heen die muzikanten… Dat gaf me zo’n geweldig gevoel. Dat ken ik verder alleen nog uit de eerste twee maanden verliefdheid. En als het publiek dan ook nog merkbaar geraakt is… Dat is het mooiste wat er is. ”